Mijn leven toewijden aan devotie

Door Zhou Xuan, provincie Shandong

Op 3 april 2003 bezocht ik met een zuster een nieuwe gelovige. Deze nieuwe gelovige was onzeker over Gods werk in de laatste dagen en ze gaf ons aan. Als gevolg kwamen er vier kwaadaardige politieagenten in burger en ze dwongen ons beide op agressieve wijze hun wagen in en ze namen ons mee naar het politiebureau. Onderweg was mijn hart ontzettend nerveus, want ik had een semafoon bij me, een gedeeltelijke lijst met namen van leden van onze kerk en een notitieboekje. Ik was bang dat de kwaadaardige politie deze dingen zou ontdekken en ik was nog banger dat mijn broeders en zusters me zouden opbellen via de semafoon, en daarom bad ik onophoudelijk en dringend tot God in mijn hart: “God, wat moet ik doen? Ik vraag u om een manier om hieraan te ontsnappen en deze dingen niet in de handen van de kwaadaardige politie te laten vallen.” Daarna nam ik die voorwerpen uit mijn tas, stopte ze geruisloos onder mijn tailleband en ik zei dat mijn maag niet goed voelde en dat ik naar het toilet moest. De kwaadaardige agent vloekte en zei: “Jij zit vol stront!” Nadat ik het een tweede keer vroeg, haalden ze een vrouwelijke agent om op mij te letten terwijl ik naar het toilet ging. Toen ik mijn riem afdeed viel de semafoon en ik nam hem snel op en wierp hem in de afvoerbuis. Omdat ik toen bang was dat de vrouwelijke agent de tas bij mijn middel zou opmerken wierp, ik die niet in de buis maar stopte hem in plaats daarvan in de vuilnisbak. Ik bedacht me dat ik het toilet ’s avonds opnieuw zou gebruiken en ik hem dan in het toilet zou werpen. Maar uiteindelijk ging ik nooit terug naar dat toilet. Het bleek dat de kwaadaardige politie de tas die ik in de vuilnisbak had gestopt, had gevonden.

lees verder